Yoga - Meditation - Ayurvedic

Kaivalya Pada

Kaivalya Pada deel 4, over de bevrijding, éénwording
 

Betreft het loslaten van alle gehechtheid; algehele zelfvergetelheid; bevrijding, voor eens en voor al uit de wereld van het vergankelijke.

1. De Siddhis (occulte vermogens) spruiten voort uit geboorte, verdovende middelen, mantras, harde strenge leefwijze of onthouding, en/of door Samadhi. 

2. De transformatie van de ene soort in een andere geschiedt door overvloeien van natuurlijke tendensen of potenties.

3. De incidentele oorzaak beroert de natuurlijke tendensen niet tot werkzaamheid; ze ruimt alleen maar de belemmeringen uit de weg, net als een boer die zijn akker besproeit.

4. Kunstmatig geschapen denkvermogens (komen) allen maar (voort uit) het gevoel van “ik-ben-heid”, de “ik- gedachte”. 

5. Het ene (natuurlijke) denkenvermogen is dat wat de vele (kunstmatige) denkvermogens richt en in beweging zet bij hun verschillende werkzaamheden. 

6. Van deze is het denkvermogen, dat uit meditatie is geboren, vrij van Samskaras (indrukken). 

7. Karmas zijn noch wit, noch zwart (noch goed noch slecht) waar het Yogis betreft, waar het anderen betreft zijn ze van drieërlei aard. 

8. Van hieruit worden slechts die tendensen gemanifesteerd, waarvoor de condities gunstig zijn.

9. Zelfs als er scheiding is door rang of stand, plaats en tijd, is er de verhouding van oorzaak en gevolg omdat de herinnering de indrukken eender van vorm Zijn. 

10. En daar is geen begin ervan, (want er is) de begeerte om eeuwig te leven. 

11. Daar ze samengebonden zijn als oorzaak en gevolg substraat en object verdwijnen

 

ze (de gevolgen; namelijk de Vasanas) bij het verdwijnen van hun oorzaak (namelijk Avidya). 

12. Verleden en toekomst bestaan in hun eigen (ware) vorm. Het verschil van de Dharmas, of eigenschappen bestaat wegens het verschil in paden. 

13. Of ze manifest of niet-manifest zijn, ze zijn van aard van de Gunas. 

14. De essentie van het object is gelegen in het unieke van de transformatie (namelijk van de Gunas). 

15. Daar het object hetzelfde is, is het verschil tussen de twee (het object en de kennisname van het object) te wijten aan het verschil van het pad (van de denkvermogens). 

16. Ook hangt een object niet af van een denkvermogen; wat zou ervan worden, Als het niet door dat denkvermogen werd gekend? 

17. Doordat het denken gekleurd of niet gekleurd wordt door het object, is het object bekend of niet bekend. 

18. De wijzigingen van het denkvermogen zijn zijn Heer altijd bekend, wegens de onveranderlijkheid van Parusha. 

19. Ook is het niet zichzelf verlichtend, want het is waarneembaar. 

20. Bovendien is het onmogelijk dat het beide tegelijk is (waarnemer en het waargenomen). 

21. Als kennisname van het ene denkvermogen door het andere (wordt verondersteld), zouden we ook moeten aannemen het vermogen tot kennen door kenvermogens en ook verwarring van herinneringen. 

22. Door zelfkennis verkrijgt men kennis van de eigen aard, als het bewustzijn die vorm aanneemt, waarin het niet van de ene plaats naar de andere gaat. 

23. Het door de Kenner (d.w.z. de Purusha) gekleurde denkvermogen en het gekleurde is allesomvattend. 

24. Ofschoon zeer gevarieerd door ontelbaar vele Vasanas, handelt (het denkvermogen) voor een ander (namelijk Parusha) want het handelt in gemeenschap. 

25. Het ophouden (van iemands begeerte) om te toeven in het Atmisch bewustzijn, omdat hij het onderscheid heeft gezien. 

26. Dan, is het denkvermogen geneigd onderscheid te maken en koers te zetten naar Kaivalya.

27. In de tussenpozen ontstaan andere Pratyayas door de kracht van de Samskaras. 

28. Het verwijderen van deze (Pratyayas) evenals dat van de Klesas, geschiedt zoals reeds is beschreven. 

29. In het geval van iemand, die in staat is een ononderbroken toestand van Vairagya te handhaven, zelfs tot de verhevenste staat van verlichting, en de verhevenste soort van onderscheidingsvermogen te beoefenen, volgt Dharma Megha Samadhi. 

30. Dan volgt het vrij zijn van Klesas en Karmas. 

31. Tengevolge van het zich ontdoen van alle verduistering en verontreininging (onzuiverheden) is dan dat wat gekend kan worden (namelijk door het denkvermogen) is dan dat wat gekend kan worden (namelijk door het denkvermogen) slechts weinig in vergelijking met de oneindigheid van het weten (verkregen door de Verlichting). 

32. Als de drie Gunas hun doel bereikt hebben, komt het proces van verandering (in de Gunas) tot een eind.

33. Kramah is het proces, dat overeenkomt met momenten die grijpbaar worden op het allerlaatste eind van transformatie (van de Gunas).

34. Kaivalya is de staat (van verlichting) volgend op het wegvallen van de Gunas, doordat deze losgemaakt worden van het doel van Parusha. In deze staat is Parusha gevestigt (gezeteld) in zijn Ware aard, en deze is louter bewustzijn. Einde.